De klacht met burgerlijke partijstelling

Indien u slachtoffer bent van een misdrijf en u heeft morele of materiële schade geleden kan u mogelijks uw schade verhalen op de dader van het misdrijf.  U kan zich hiertoe burgerlijke partij stellen in een lopend strafdossier ofwel, bij gebreke aan een lopend strafdossier, door een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter.

Bij vervolging door het Openbaar Ministerie wordt er een strafprocedure opgestart. De verdachte van het misdrijf zal daarbij gedagvaard worden voor de Rechtbank. In die strafprocedure kan een slachtoffer zich burgerlijke partij stellen bij wijze van voeging en wordt het slachtoffer een procespartij in de strafzaak. Als procespartij kan het slachtoffer vervolgens zijn vordering instellen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden ingevolge het misdrijf.

In sommige gevallen wordt de strafvordering echter niet ingesteld door het Openbaar Ministerie, omdat de zaak zonder gevolg wordt geklasseerd. In dat geval kan een slachtoffer overeenkomstig artikel 63 van het Wetboek van Strafvordering een klacht met burgerlijke partijstelling neerleggen bij de strafrechter. 

In het Belgische strafrecht zijn er dus verschillende manieren om een procedure van strafvordering in te stellen, de klacht met burgerlijke partijstelling is er daar één van.

De klacht met burgerlijke partijstelling wordt neergelegd bij een onderzoeksrechter en is niet aan vormvereisten onderworpen zodat dit zowel mondeling als schriftelijk kan gebeuren. In de praktijk wordt dit wel schriftelijk gedaan.

Om een burgerlijke partijstelling neer te leggen moet er aan een aantal voorwaarden voldaan zijn:

  • De strafvordering moet ontvankelijk zijn: de burgerlijke vordering van het slachtoffer in een strafprocedure is accessoir aan de strafvordering. Dit wil concreet zeggen dat de burgerlijke vordering enkel toegelaten kan worden voor zover de strafvordering ook toegelaten is. De burgerlijke vordering volgt met andere woorden de strafvordering, ook al werd de procedure gestart d.m.v. een burgerlijke partijstelling.
  • Het slachtoffer moet “beweren” benadeeld te zijn door een misdaad of wanbedrijf (art. 63 Sv.): dit is een vage omschrijving van wat het slachtoffer zou moeten doen. Het Hof van Cassatie heeft deze wetsbepaling daarom verduidelijkt in haar rechtspraak. Het Hof stelt dat het slachtoffer aannemelijk moet maken dat hij schade geleden zou hebben door een misdaad of wanbedrijf indien hij wil dat de burgerlijke partijstelling ontvankelijk is. In deze eerste fase moet het slachtoffer dus nog niet het bewijs van de schade en het oorzakelijk verband met het misdrijf leveren, dat zal pas gebeuren voor de vonnisrechter. Voor de burgerlijke partijstelling is dus enkel een gemotiveerde bewering nodig. Het is uiteraard ook afhankelijk van de omstandigheden hoe precies die beweringen moeten zijn.

Een gevolg van de klacht met burgerlijke partijstelling is dat het openbaar ministerie niet meer kan kiezen om de zaak te seponeren of minnelijk te regelen, de strafvordering is immers ingesteld …

Voor verdere inlichtingen of bijstand kunt u bij ons steeds terecht bij
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

Nieuwsbrief

Via onderstaand formulier kunt u zich inschrijven voor onze nieuwsbrief.